Maarten van der Weijden kennen we als de man die
olympisch goud pakte en de Elfstedentocht zwemmend trotseerde. Ook heeft hij inmiddels
miljoenen euro’s opgehaald voor kankeronderzoek. Achter die indrukwekkende
prestaties zit ook een verhaal van verlies, pijn en falen. Die beschrijft hij
in zijn nieuwe boek De laatste slag, deze komt 15 oktober uit. In dit verhaal kijkt van der Weijden terug op de momenten
die hem het meest hebben gevormd. Bijvoorbeeld het verlies van zijn vader en
beste vriend. Maar ook het einde van zijn huwelijk.
De voormalig
topsporter won in 2008 olympisch goud op de 10
kilometer openwaterzwemmen. Na zijn topsportcarrière bleef hij niet stilzitten
en zette hij zich met zijn stichting volop in voor kankeronderzoek. Eerder
schreef hij het boek
Beter (2009), waarin hij openhartig vertelde over
zijn strijd tegen leukemie en zijn olympische overwinning. Van het boek werden
meer dan 50.000 exemplaren verkocht.
Wij krijgen een uniek inkijkje in
zijn nieuwe exemplaar.
Fragment
Een nieuwe poging
2018-2019
Als je compassie ervaart voor het niet-halen van een bepaald
doel, dan is de kans dat je het nog een keer probeert een stuk groter. Al snel
na de Elfstedenzwemtocht heb ik de keuze gemaakt om het nóg een keer te
proberen, maar ik durf dit nog niet tegen Diede te zeggen. Het is een immens
project geweest dat heel veel tijd opslokte. Ik merk bij Diede opluchting dat
het klaar is. Het was echt een gezamenlijk project en ik heb onze samenwerking als
heel fijn ervaren. Waar ik bezeten bezig was met zwemmen, was zij dat met de
organisatie en de logistiek. Soms hadden we even strijd. Bij mijn rol als
voorman, naamgever en verantwoordelijke hoort ook dat ik vaak nee zeg. Dat is
iets wat ik goed kan. Vrijwilligers kregen dit in de gaten en sommigen
probeerden dan om via Diede iets gedaan te krijgen. Diede kan minder goed nee
zeggen en vervolgens kreeg ik dezelfde vragen, maar nu via mijn levenspartner. Slim
bedacht, maar mijn antwoord bleef toch nee. Vervolgens klaagde Diede dat ik
ondanks haar toezegging iets niet ging doen, dat vond ze niet prettig en ik
snapte dat. Ik stelde voor om mensen voortaan maar direct naar mij toe te
sturen. Dan had ik wel wat meer werk, maar verliep het tenminste soepeler.
De maanden na de Elfstedentocht waren megadruk met lezingen.
Ik geef al vanaf 2008 betaalde lezingen over doelen stellen en omgaan met tegenslagen.
Door het succes van de Elfstedentocht was het aantal aanvragen voor een lezing
van mij enorm gegroeid. Zozeer dat ik me schuldig begon te voelen over het feit
dat ik zoveel verdiende, waardoor ik besloot 5 procent van mijn omzet voor deze
jaren te doneren aan onze stichting.
De samenwerking met Diede is lastiger geworden. Misschien
hebben we niet goed naar elkaar uitgesproken hoe we de periode na de
Elfstedentocht voor ons zien en het aantal aanvragen voor een lezing overvalt ons.
We zijn partners, ouders, we hebben de organisatie van de Elfstedenzwemtocht
samen gedaan, en ze helpt ook nog bij het plannen van de lezingen. Het lukt
Diede niet meer om de vele verzoeken die maar blijven binnenstromen te
behandelen. Ik probeer met haar te overleggen, af te tasten wat dan wel zou
lukken. Ik hoop op verbetering, maar ik vrees dat het op den duur opdrachten
gaat kosten. Wanneer ik voorstel om een secretaresse in te huren is er bij
Diede veel boosheid. Ik denk dat ze zich gepasseerd voelt, alsof ze het niet
goed genoeg doet. Kan ik echt niet accepteren dat zij iets langzamer reageert
dan ik zou doen? In eerste instantie neem ik het werk zelf over, maar al snel
merk ik dat ik hier eigenlijk geen tijd voor heb. Uiteindelijk besluit ik
alsnog een secretaresse aan te nemen.
In deze drukte is het misschien niet verstandig om over een
nieuwe Elfstedenzwemtocht te beginnen. Voorzichtig probeer ik Diede te polsen: zou
ik het bij deze ene moeten houden of zullen we het nog een keer doen? Ze geeft
niet veel ruimte aan het idee dat ik het graag nog eens zou willen proberen.
Als ik zeg dat we met een nieuwe poging wellicht nog meer onderzoeken zouden
kunnen financieren, brengt zij het onderwerp snel op onze kinderen.
Na de Elfstedentocht kwamen veel vrijwilligers naar mij toe
om over hun ervaringen te vertellen. Ieder van hen had zijn of haar eigen locatie,
waar ze zoveel bijzondere ontmoetingen hadden gehad. Veel toeschouwers op de
kant hadden een persoonlijke betrokkenheid met kanker en de tocht zorgde voor
verbinding. Sommigen hadden een echt Elfstedentochtgevoel, dat was prachtig om
te horen. Er werd zelfs een actie op touw gezet om de officiële
Elfstedenvereniging ertoe te verleiden mij een echt Elfstedenkruisje te geven.
Ze weigerden, maar ik kreeg een week later wel een mooie persoonlijke brief toegestuurd
met daarbij het Elfstedenkruisje van een deelnemer uit 1987. Ik zou het kruisje
meer verdienen dan hij. Ik vond dit ontzettend lief, maar voelde me ook
ongemakkelijk. Ik zwom de Elfstedentocht om mijn overleversschuld te
compenseren. Werd mijn ‘schuld aan het leven’ op deze manier niet juist groter?
Ik kwam ook in contact met een gulle gever. Zij doneerde
ruim honderdduizend euro vanuit de stichting die de nalatenschap van haar zusje
beheerde. Ze was geraakt door de boodschap die ik continu had herhaald: dat
mensen die aan kanker sterven geen strijd verloren hebben; ze hebben enkel de
pech gehad dat er geen behandeling is geweest die bij hen is aangeslagen.
Van meerdere kankerpatiënten kreeg ik te horen dat er eigenlijk
geen mooier einde aan mijn Elfstedentocht had kunnen zijn. Mijn afgebroken
poging liet zien dat je soms iets heel graag wilt, daar je stinkende best voor doet
en dat het dan toch niet lukt. Net zoals bij kankerpatiënten die niet
herstellen.
Het idee dat één Elfstedentocht mooi genoeg was, leefde ook
bij de vrijwilligers. Het was een heel intensief project geweest. Als ik hintte
op een herkansing, reageerden ze terughoudend.
‘Mooier dan dit wordt het niet!’ zeiden ze. Met elke slag
die ik had gezwommen, haalde ik ruim dertig euro binnen! Dat zou toch niet nog
een keer lukken? Maar ja, ook al wordt het een minder groot succes, dan nog steeds
is elke euro die we inzamelen voor meer kankeronderzoek er één.
Ik merkte dat mijn overleversschuld weer opspeelde. Als ik
mensen spreek die te maken hebben met kanker, voel ik een sterke drang en een
diepe noodzaak om iets terug te doen. Ik kan kankerpatiënten helpen door nieuwe
onderzoeken mogelijk te maken, die leiden tot nieuwe therapieën en een betere
behandeling. Genezingskansen nemen toe door kankeronderzoek. Hoe meer geld, hoe
groter de toename. Mijn behandeling tegen leukemie is ook ontdekt door iets
nieuws te proberen. Hier heb ik mijn leven aan te danken, dan is het toch
belangrijk dat ik iets terug blijf doen? Door nog een keer te gaan zwemmen kan
ik het verschil maken. Ik móét het nog een keer proberen.
Op een avond vraag ik: ‘Diede, wat zou je ervan vinden als
ik de Elfstedentocht nog een keer ga zwemmen?’
Haar blik is afkeurend. Ze vraagt of ik het niet al druk genoeg
vind thuis en geeft aan dat ze niet denkt dat het me zou lukken.
Als ik uitleg dat zij wat mij betreft niks hoeft te doen en
ik alles op mijn schouders neem, kan ze er geen bezwaar tegen maken. Daarnaast
bespreken we wat zij in huis van mij nodig heeft.
‘Is het een idee dat ik de kinderen op bepaalde dagen naar
bed breng, dat ik kook, de kinderen naar school breng? Zeg het maar, dan plan
ik het in en zorg ik daarvoor.’
We hebben er een paar intensieve gesprekken over en dan besluit
ik om het te gaan doen. In 2019 zal ik voor de tweede keer de Elfstedentocht
zwemmen.
We maken een plan en besluiten het professioneler aan te
pakken. Na het succes van 2018 moet het lukken om nu meer sponsoren te vinden.
Vooral het contact met de gemeenten en het aanvragen van de diverse
vergunningen moeten we anders aanpakken. We weten nu beter hoe dat moet. In
2018 zijn er nauwelijks algemene-orde-incidenten geweest. Geen enkele verstoring,
opschudding, ruzie door de enorme drukte langs de route. Maar nu we weten dat
het zo druk kan worden is het met de weinige veiligheidsmaatregelen die er in
2018 zijn geweest lastig te verantwoorden. Dit moeten we in 2019 professioneler
aanpakken.
De organisatie in 2019 loopt soepel. Oude contacten willen
door het succes van 2018 graag meedoen. Voor de buitenwereld voelt het meer
als een bewezen idee en niet als een krankzinnige droom. In plaats van een grote
billboardpartij een paar weken voor het event te laten aanhaken, kunnen we dit
nu maanden van tevoren regelen, we weten beter wat we doen en de buitenwereld
weet hoe het eruit zal kunnen zien. De honderdprocentsbelofte kunnen we nog
steeds waarmaken door een strikte scheiding tussen donatie-inkomsten en sponsorinkomsten.
Sponsorinkomsten gebruiken we voor de organisatiekosten, inkomsten uit
donaties komen op een aparte rekening.
We willen nog steeds graag met KWF Kankerbestrijding samenwerken,
maar we willen hier ook minder afhankelijk van zijn. We besluiten tot eenzelfde
soort samenwerking met Kika en met de Roparun. We willen een divers palet van
elf verschillende kankeronderzoeken die we dan weer aan de elf verschillende
Friese steden kunnen koppelen.
Het is nogal een verantwoordelijkheid om te bepalen waar
miljoenen euro’s voor kankeronderzoek naartoe gaan. Er zijn verschillende
variabelen waar je een onderzoek op kunt ranken. Je kunt kijken naar de soort kanker.
Verdient een bepaalde kankersoort die vaker voorkomt meer aandacht en geld dan
een kankersoort die minder vaak voorkomt? Of je kijkt naar de fase van het
onderzoek. Onderzoeken die in een gevorderde ontwikkelfase zijn, zitten dichter
bij de toepassing voor de patiënt en kunnen op niet al te lange termijn voor
verandering zorgen. Onderzoeken die in een beginfase zitten, zijn nog niet zo
ver ontwikkeld. Ze hebben de potentie om het hele kankeronderzoeklandschap over
tien of vijftien jaar te veranderen, maar zijn ook risicovoller en de kans dat
kankerpatiënten er op korte termijn iets aan hebben, is minder groot. Toch doet
een onderzoek altijd iets: zelfs als eruit blijkt dat een beoogde methode niet
werkt, is dat bruikbare informatie.
Een andere vraag is of je je richt op onderzoek naar kanker
bij kinderen of bij volwassenen. Geld inzamelen voor kinderkanker is
makkelijker. Een foto van een ziek kind is zo hartverscheurend dat mensen sneller
hun portemonnee pakken. Er zijn onderzoekers die zeggen dat ze als
onderzoeksgroep genoeg geld bij elkaar krijgen voor kinderkankeronderzoek en
dat dat makkelijker is dan voor onderzoek naar kanker bij volwassenen. Sommige
onderzoekers zeggen dat je hierdoor zou kunnen redeneren dat de kwaliteit van
kinderkankeronderzoek zelfs lager zou kunnen liggen. Als ik dit hoor, voel ik
heel sterk de verantwoordelijkheid om de miljoenen euro’s aan donatiegelden op
de juiste plek terecht te laten komen. Ik wil dat donatiegeld enkel naar het
beste onderzoek laten gaan. Maar volgt hier dan ook uit dat ik terughoudend zou
moeten zijn in het financieren van onderzoek naar kanker bij kinderen?
Ik vind dit een moeilijke discussie. Het voelt alsof ik als
fondsenwerver op een stoel ga zitten die niet gepast is voor mij. Ik wil zo
veel mogelijk patiënten helpen en redden, maar hoe kunnen we dat het beste doen?
Het geld dat we inzamelen, kunnen we maar één keer besteden. Het geld dat naar
kinderkankeronderzoek gaat, kan niet naar borstkanker of longkanker gaan. Het
voelt alsof ik dan de keuze moet maken wie ik moet redden of wie het het meest
waard zou zijn. Zo’n keuze is onmogelijk te maken.
Ik kan hierover met onderzoekers gaan praten, maar ik ben
geen kankeronderzoeker. Uiteindelijk zijn alle onderzoeken goedgekeurd door de
medische adviesraad van ofwel KWF Kankerbestrijding, ofwel Kika, ofwel de Roparun.
Ik heb vertrouwen in deze raden en volg hun adviezen op. Voor de selectie van
de elf onderzoeken heb ik een andere redenering. Moet de donateur niet zelf
kunnen besluiten waar zijn of haar geld heen gaat? Ik vind dit een mooie
liberale gedachte. Wij selecteren elf uiteenlopende onderzoeken, geven in de
elf steden zo veel mogelijk informatie over waar het geld heen gaat en de
donateurs kunnen specifiek doneren voor een bepaald onderzoek.
Voordat we beginnen met de voorbereidingen, praat ik met mijn
coaches. We evalueren de vorige Elfstedentocht en bespreken hoe we ervoor
kunnen zorgen dat ik het deze keer wel haal. Eigenlijk zijn er drie grote
aanpassingen: meer slapen, meer eten en starten in juni in plaats van augustus.
Over mijn poging had ik 53 uur gedaan en ik had nauwelijks geslapen. Eerst had
ik me schuldig gevoeld dat ik twee keer een powernap had gedaan van 20
minuten, maar er was niemand geweest die dat ervaren had als valsspelen. Sterker
nog, er waren opiniemakers en mensen op social media die het zwemmen van de
Elfstedentocht onverantwoord vonden.
Ik heb de eigenschap dat ik me persoonlijk niet zoveel aantrek
van de publieke opinie. Maar voor het inzamelen van veel geld voor
kankeronderzoek is die opinie wel belangrijk en dus namen we haar serieus. Drie
dagen zwemmen is ook niet gezond. Ik deed het onder professionele medische
begeleiding en ik genoot er ook van. Als ik zo lang achtereen zwem, zelfs als het
pijnlijk is, voel ik dat ik leef. Dat vind ik fijn. Iets fijn vinden is wel
weer gezond, dus dat heft elkaar dan vast een beetje op.
De Elfstedentocht van 2018 had ik gezwommen vanuit mijn
‘overleversschuld’. Daar hoorde ik voor het eerst over toen ik The Endless
Knot keek, een Netflix-documentaire. Twee vrienden zijn met elkaar aan het
bergbeklimmen. De een wordt meegesleurd door een lawine en overlijdt. De ander
overleeft en zet zijn leven voort, maar met een diep gevoel van survivor’s
guilt: een heftige emotionele reactie waarbij iemand wroeging voelt omdat
hij een levensbedreigende gebeurtenis heeft overleefd, terwijl een ander
diezelfde gebeurtenis met de dood heeft moeten bekopen. Ik herkende me in dat
gevoel. En ik zag ook dat het aansloeg in de media, waardoor het als het ware
een eigen leven ging leiden. Er ontstond een beeld van Maarten die met zijn
lijden de wereld een stukje beter wilde maken. Dat klopte gedeeltelijk. Ik voelde
me niet prettig bij het beeld van een soort Jezus Christus dat er werd
gecreëerd. De waarheid was dat ik zwemmen ook gewoon leuk vind.
Een ander gezondheidsaspect betrof het achter een boot
zwemmen. Zou dat koolstofmonoxidevergiftiging kunnen veroorzaken? En was dat er
dan niet de oorzaak van dat ik in 2018 in Burdaard moest stoppen? Een simpele
medische test had uitgewezen dat dit niet het geval was.
Bij deze nieuwe poging zou ik ook best iets meer mogen slapen.
Een powernap van 20 minuten hielp, maar blijkbaar niet genoeg. Toine, de
slaapexpert in mijn team, opperde dat ik eerder aan zo’n 3 uur slaap moest
denken, dan kun je precies twee hele slaapcycli slapen. Om dit te bevestigen
sliep ik een nacht in een slaapexpertisecentrum om mijn slaap wetenschappelijk
te laten ontleden. Daaruit bleek dat mijn slaapcyclus een normale lengte van 90
minuten had. In deze cyclus doorliep ik de benodigde slaapfases, waaronder de remslaap.
Het advies was om elke nacht twee van zulke cyclussen te hebben en dus per dag
3 uur te slapen.
Ik had in 2018 aan den lijve ondervonden hoe vreselijk de
donkere nachten waren. ’s Nachts ziet de wereld er anders uit. Een uitdaging
voelt veel onoverkomelijker in het donker dan als het licht is. We bedachten
dat ik als we de poging ditmaal in juni zouden doen, wanneer de nachten veel
korter zijn dan in augustus, dus veel minder lang in het donker zou hoeven te zwemmen.
Voor de nachtelijke uren zouden we dan de Friese boeren om hulp vragen.
De laatste slag van Maarten van der Weijden is verkrijgbaar
vanaf 15 oktober 2026 via Ambo|Anthos Uitgevers voor 22,99 euro.