Tonic vertelt het heftige verhaal van Arthur Poolman. Arthur is alcoholist en leeft in een wereld waarin drank controle over hem uitoefent. Het begint al in het weekend. De teugels los, alle zorgen voor even vergeten maar het kan niet altijd vrijdagavond zijn.

De werkweek schudt hem wakker, en steeds meer heeft hij diezelfde drank nodig om nog te kunnen functioneren op de middelbare school waar hij lesgeeft. Steeds vaker verliest hij de controle over de angst en de schaamte vanbinnen, die hem alleen maar meer, meer, méér laat zuipen om te vergeten, te verdringen. Arthur valt steeds dieper, onbereikbaar voor zijn dierbaren, tot hij de bodem raakt. Daar rest hem nog maar één keuze: nooit meer drinken of alles verliezen.

Ralf Mohren vertaald het verhaal achter een alcoholist perfect in dit boek en als lezer ga jij beter begrijpen hoe fucked up het is om te kampen met een alcoholverslaving.

Om een indicatie te krijgen van dit vette boek hebben wij een kleine passage voor jullie klaar staan:

Ik knik en ineens moet ik aan de Berlijnreis met Yasco denken. Een paar jaar terug in dezomervakantie vertrokken we van Utrecht Centraal naar Berlijn. We hadden een hotel geboekt in Mitte. Dat was het enige wat vaststond, verder hadden we geen plannen. Voor de lange treinreis hadden we ieder zes blikjes bier meegenomen. Die trokken we na de overstap in Amersfoort open. Het was nog ochtend. Toen het bier opraakte, moesten we in de trein blikken bijkopen. Aangeschoten landden we rond twee uur ’s middags op Bahnhof Zoo. ‘Wir Kinder vom Bahnhof Zoo,’ schreeuwde ik in zijn oor terwijl ik hem omhelsde. We stikten bijna van het lachen. We zochten ons hotel op en vielen een paar uur in slaap. Eenmaal wakker vertrokken we naar Prenzlauer Berg. Rond middernacht waren we terug op onze hotelkamer. Keurig, maar ook wat onbevredigend. Ik keek uit het hotelraam en zag aan de overkant van de straat een bar. Fel neonlicht riep ons. ‘We kunnen daar natuurlijk nog een cocktailtje of iets dergelijks drinken,’ zei ik tegen Yasco. Hij had daar niets op tegen. We waren niet op vakantie gegaan naar een wereldstad om om twaalf uur in bed te liggen.

De bar was bijna leeg. We dronken een paar cocktails en lieten de barman een taxi voor ons bestellen. Aangezien we geen idee hadden waar we naartoe wilden, vroeg ik de man naar een plek waar mooie vrouwen waren. De taxichauffeur zette ons af bij een stripteasebar, god weet waar. Toen we voor die tent stonden dacht ik nog: ach nee, hij heeft me verkeerd begrepen, en ik moest glimlachen om het misverstand. Overmacht, en dus gingen we naar binnen en zetten het aan de bar op een serieus drinken. Achter in de zaak stond een paal. Verschillende paaldanseressen deden hier volgenseen strak werkschema hun kunstjes. Yasco stond op en ging op een stoel vlak bij de paal zitten. Ik zette mijn ellebogen wat steviger op de bar en bestelde nog maar eens een cocktail, terwijl ik geamuseerd toekeek hoe Yasco in gesprek raakte met het meisje van dienst. Hij bood haar blijkbaar wat te drinken aan, want het meisje nam met een lach een klein flesje champagne in ontvangst.

Enige tijd later, geen idee hoe lang precies, tijd verstroopt op dat soort avonden, had ik het wel gezien. Yasco zat nog steeds op zijn stoel, om hem heen stonden nu verschillende meisjes, allemaal met zo’n flesje champagne in hun hand. Ik liep naar hem toe, een stuk wankeler dan toen ik binnenkwam, en stelde voor zo te vertrekken. Ik keek naar hem. Hij was dronken en zei: ‘Kijk, ik heb deze lieve meisjes net nog een piccolootje aangeboden en ik heb er zelf ook een genomen.’ Hij nam een flinke slok uit het flesje. ‘Ik ga even de schade opnemen,’ zei ik, en terwijl ik terugliep naar de bar, zag ik dateen paar mannen elkaar aanstootten, lachten en naar Yasco wezen.

De man achter de bar was een grote geblondeerde kerel met een gouden ketting om zijn nek. Hij droeg een wit shirt met groot puma in het lichtgroen op de voorkant. Hij lachte toen hij me de rekening overhandigde. Ik keek twee keer en probeerde rustig te blijven. De rekening bedroeg achthonderddrieënvijftig Duitse marken en nog een paar pfennigen als versiersel achter de komma. ‘Pinnen, bitte,’ hield ik me groot. Hij keek me aan alsof hij me niet begreep. Ik haalde mijn bankpasje uit mijn portemonnee en liet het hem zien. Langzaam schudde hij zijn hoofd en keek moeilijk. Hij leek op een acteur in een film. ‘Geht nicht. Nur cash.’ Het drong langzaam tot me door. Deze man verwachtte van me dat ik achthonderd en nog wat marken op zak had. Het leven in de bar leek te stollen. Ik zag een foto van Yasco. Hij had een arm om de schouder van een blond meisje geslagen. Van links en rechts keken de mannen aan de bar me aan. Sommigen met de mond half open, anderen met hun lach vertrokken in een grimas. Ik keek de barman zo schuldig mogelijk aan. I

neens floot hij tussen zijn tanden en toen herleefde de bar. Van de zijkant kwam een kleine gedrongen kerel naar me toe gelopen. De blonde Pumaproleet legde een autosleutel op de bar die de kleine man pakte. Hij had lichtgrijs, heel kort haar en de felblauwe ogen van een husky. Hijzag eruit alseen bokser van Oost-Europese afkomst. De man was de probleemoplosser van deze tent. En wij waren het probleem. Terwijl Yasco als borg achterbleef in de zaak reed ik mee met de man in een lichtgrijze Mercedes Sport. De eerste twee pinautomaten wilden niks van mijn pas weten. De derde gaf geld en redde mijn tanden. Ik pinde duizend mark, dieik godzijdank kreeg.Toen ik weer instapte, schraapte de deur van de lage auto langs de stoep. De man zei ook nu helemaal niks. Hij keek alleen heel even en ik zag een spiertje vertrekken bij zijn oog. Hij had me graag tot moes geslagen, vermoed ik.

Yasco zat inmiddels aan de bar. De meisjes waren verdwenen. De barman lachte vaderlijk toen ik hem zijn geld overhandigde. Nu was alles weer goed. We hadden een probleem veroorzaakt, maar als je problemen op een volwassen manier oplost, zijn er geen problemen meer. Even goeie vrienden.

Of we misschien nog iets wilden drinken op de goede afloop? Dat wilden we wel. Tuurlijk. Kom maar op. Hij zette kleine glaasjes voor iedereen op de bar neer en ging met een fles razendsnel langs de glaasjes. Toen dronken we, allen tezamen, in één teug onze drankjes leeg. ‘Noch einen?’ vroeg de barman vriendelijk. Hij knipoogde naar me. Ik knikte. Na dat rondje zei hij: ‘Hunderddreissig Mark bitte.’ Op straat probeerde ik Yasco uit te leggen dat we door het oog van de naald gekropen waren. ‘Echt? Wat een lul die gast!’

We liepen vervolgens lukraak door Berlijn op zoek naar ons hotel. Soms legden we aan in een barretje waar we een glas bier dronken. Uiteindelijk pakten we een taxi. De chauffeur reed wat rond, troggelde me mijn laatste marken afen zette onsereen paar straten verder uit. Ons hotel bleef onvindbaar. Uiteindelijk bereikten we, rond zeven uur ’s ochtends het hotel. Het ontbijtbuffet was al open.

Lang heb ik mezelf als redder van de situatie beschouwd. Ik vergat echter voor het gemak wat er de dag daarna gebeurde. Terwijl Yasco tot diep in de middag zijn roes uitsliep en die dag alleen maar Spa rood dronk, stond ik nauwelijks drie uur nadat we naar bed waren gegaan weer op. Ik douchte, poetste mijn tanden, spoot mijn nek vol met aftershave en stak de grote weg over. Tegenover de cocktailbar waar de avond tevoren ons heerlijk avondje was begonnen, lag een groot terras. Duitsers met laptops zaten achter hun koffie of achter een groot glas Weizenbier. In mijn eentje heb ik op dat terras gedronken tot Yasco rond vijven boven water kwam. Toen hij ontnuchterd was, was ik inmiddels weer stomdronken. Mijn heldendom was dus maar van korte duur daar in Berlijn.

Ik voel de steek in mijn maag die Jantje beschreef als je beseft dat iets anders is dan je dacht. Als je ineens weet dat jouw eigen werkelijkheid waarin je altijd hebt geloofd, niet strookt met welk feit dan ook. De steek in mijn maag duurt maar even, want eigenlijk ben ik – misschien is dat gek, zeg het maar – ook wel trots op deze avond. Ik bedoel: ik leefde wel. Je maakt wat mee als je drinkt. Dat valt niet te ontkennen. Terwijl ik nu niks meer meemaak. Ik ben een saaie lul geworden. Weliswaar een niet-drinkende saaie lul, maar wel degelijk een saaie lul. Daar kunnen de complimentjes – ‘ik vind hetzo ontzettend knap van je’ – niks aan veranderen. Decomplimentjes nemen trouwens ook af. ‘Je bent veel leuker als je niet drinkt’ heb ik al lang niet meer gehoord. En het is ook niet waar natuurlijk, want ik ben dus een ontzettend saaie lul als ik niet drink.

Ik kijk naar Jan en zeg wat er in me opkomt. ‘Ik voelde me verdomd eenzaam, Jan, ken je dat? Dat je het idee hebt dat niemand je echt begrijpt? Die drank maakte altijd dat ik sociaal kon functioneren. Ik kon meedoen met het geleuter. Herken je dat?’ Pistolen Jantje lacht. ‘Wat dacht jij dan?’ Jantje heeft geen vrouw. Hij heeft boeken over alle oorlogen die je kunt bedenken, maar hij heeft geen vrouw. Of hij veel vrienden heeft, weet ik niet. Ik denk het niet, want Jan is het liefst thuis op zijn kamer. Daar kan hij zijn boekjes lezen en ondertussen zijn kamer blauw kleuren met zijn sigarettenrook. Wat ik wil zeggen, is dat Jan objectief gezien het recht heeft om eenzaam tezijn. Hoewel het me wel verbaast, want ik had verwacht dat hij het zou ontkennen. Ikzelf heb dat recht eigenlijk niet. Ik heb een paar goeie vrienden en bovendien heb ik wel een vrouw. Een vrouw zelfs voor wie het gros van de mannen een moord zou doen – ik zie ze wel kijken. Maar blijkbaar is die vrouw niet genoeg om de eenzaamheid op te heffen. Dat beangstigt me.

Lijkt jou dit boek te vet en wil je ‘m graag hebben? Dat komt goed uit want wij mogen 3 exemplaren weggeven en je hoeft er heel weinig voor te doen om dit boek te winnen. Like dit bericht en geef in de comment aan waarom wij dit boek naar jou moeten sturen!