Tot voor kort werd altijd gedacht dat de Amerikaanse regering na de Tweede Wereldoorlog slechts enkele nazi-wetenschappers asiel had verleend. De waarheid is echter veel schokkender en werd decennialang verborgen: de CIA en FBI haalden voor hun strijd tegen het communisme honderden nazi’s naar Amerika. Daarnaast stonden ze oogluikend toe dat duizenden anderen zich op eigen houtje in de Verenigde Staten vestigden. Als zogenaamde oorlogsvluchtelingen werden ze nauwelijks onderzocht, hun verleden werd eenvoudig gemaskeerd en hun oorlogsmisdaden raakten al snel in de vergetelheid. Zo konden zij weer met een schone lei beginnen. Gerenommeerd schrijver Eric Lichtblau vertelt in Nazi’s in Amerika het schokkende en gênante verhaal van hoe Amerika een veilige thuishaven werd voor Hitlers mannen. Een voorpublicatie.

IWAN DE VERSCHRIKKELIJKE
Het was allemaal begonnen met een ogenschijnlijke toevalstreffer zestien jaar eerder, in 1977, in een pakhuis in de buurt van Tel Aviv. Een Israëlische onderzoeker van oorlogsmisdaden liet daar de Holocaust-overlevende Eliyahu Rosenberg een fotoalbum zien vol kiekjes van mannen van middelbare leeftijd met keurige pakken en stropdassen. Rosenberg, die manager was in het pakhuis, was vierendertig jaar eerder ontsnapt uit het vernietigingskamp Treblinka. Hij werd nog steeds achtervolgd door de gruwelijke herinneringen aan die plek. Aanklagers in de VS hoopten dat Rosenberg de foto eruit zou pikken van Feodor Fedorenko, een fabrieksarbeider in Connecticut van wie ze wisten dat hij als ondergeschikte bewaker in Treblinka had gewerkt. Ze hadden een betrouwbare identificatie van een overlevende uit Treblinka nodig om hun zaak te kunnen onderbouwen.

Rosenberg bladerde door het fotoalbum. Alles bij elkaar ging het om zeventien foto’s. De onderzoeker vroeg of hij iemand daarvan herkende. Rosenbergs blik bleef hangen bij de laatste foto. Die man kwam hem bekend voor, zei hij. Hij herinnerde zich zijn naam niet meer, maar hij was een bewaker in Treblinka, wist Rosenberg. Zoals de aanklagers al hoopten, was de man op de foto inderdaad Feodor Fedorenko.

Toen keek Rosenberg opnieuw naar de foto vóór die van Fedorenko, foto nummer 16. Het was een intimiderend ogende man met kort haar, grote oren en een koude, starende blik. Rosenberg leek te bevriezen bij de aanblik van het gezicht dat hem aanstaarde vanaf die bladzijde. Deze man had ook in Treblinka gewerkt, vertelde Rosenberg op ongelovige toon aan de onderzoeker. Zijn naam was Iwan en hij was niet zomaar een bewaker geweest. Hij werkte in de gaskamer. Hij was een monster, zei Rosenberg; iemand die zo gevreesd en verafschuwd was dat hij er een grimmige bijnaam aan te danken had. Deze man moesten ze hebben, zei Rosenberg. Dit was Iwan de Verschrikkelijke.

Dat moest een vergissing zijn, zei de onderzoeker tegen hem. Ze dachten dat de man op foto nummer 16 misschien in een ander Pools kamp had gewerkt, in Sobibor, maar niet in Treblinka; daar had hij nooit gewerkt, zei de onderzoeker.

Hij was het wel, herhaalde Rosenberg. De man op de foto was Iwan de Verschrikkelijke. Rosenberg was gedwongen om elke dag op een paar meter afstand van hem in de gaskamer te werken, vertelde hij. Hij zou dat gezicht nooit vergeten.

Dat was het begin van een martelende, vijfendertig jaar durende juridische dwaaltocht die leidde tot een eindeloze reeks verbitterde rechtszaken in de Verenigde Staten, Israël en Duitsland. De zaak zorgde ervoor dat de morele principes en competenties van het OSI in twijfel werden getrokken en zette de missie van de nazi-jagers op het spel.

De man op de foto die Rosenberg eruit pikte was een zesenvijftig jaar oude automonteur op een Ford-fabriek aan de rand van Cleveland. Hij was zeven jaar na de oorlog als Oekraïense immigrant naar de VS gekomen. Samen met zijn vrouw en drie kinderen woonde hij in een keurig huisje in een buitenwijk met een netjes gemaaid gazon en kleurige bloembedden. Hij bezocht regelmatig de lokale Oekraïense kerk. Zijn naam was John Demjanjuk.

Er waren nog twee andere Treblinka-overlevenden in Israël die Demjanjuks foto aanwezen in het album. Net als Rosenberg identificeerden ze hem met begrijpelijke opwinding als de man die in het kamp bekend stond als Iwan de Verschrikkelijke. Als gespierde Oekraïner van voor in de twintig had Iwan zich schuldig gemaakt aan bijna mythische beestachtigheden, wisten de overlevenden nog: hij gebruikte een zwaard en een loden pijp om de gevangenen naar de gaskamer te drijven en sneed onderweg de oren af van mannen en kerfde vrouwen in hun borsten. Soms dwong hij gevangenen, zowel volwassenen als kinderen, om seksuele handelingen met elkaar te verrichten voordat hij ze samen met zijn metgezel, Nikolai, de gaskamer in duwde. Daarna liep hij de trap af naar een machinekamer die ‘Iwans territorium’ werd genoemd om daar de dieselmotor aan te zwengelen en het gas de ruimte in te pompen totdat het schreeuwen van de gevangenen langzaam verstomde.

Demjanjuk (uitgesproken als ‘dem-jáán-joek’) werd door de Amerikaanse aanklagers niet beschouwd als een heel belangrijke verdachte voordat de Israëlische overlevenden zijn foto eruit pikten. Zijn naam was naar boven gekomen in een boek over de concentratiekampen en stond op een lijst van bekende kampbewakers die was opgesteld door een Oekraïense immigrant in New York. Volgens die verslagen had hij echter niet gewerkt in Treblinka, waar bijna 900 000 mensen werden omgebracht, maar in Sobibor, als een anonieme bewaker waar maar weinig over te melden viel. De Amerikaanse autoriteiten deden niet actief onderzoek naar hem. Zijn foto was alleen in het album terechtgekomen als een van de Oekraïense immigranten die op basis van vage aanwijzingen misschien nazi-banden zouden kunnen hebben gehad.

Toen ooggetuigen hem aanwezen als een buitengewoon wrede nazi, werd Demjanjuk een veel belangrijker doelwit. De Amerikaanse aanklagers hadden nu reden om te geloven dat de verdachte niet alleen een radertje was geweest in de machine, maar ook een van de meest sadistische machinedrijvers. Hoe meer bewijzen ze verzamelden, hoe meer vertrouwen ze kregen in de zaak. Er waren alles bij elkaar achttien overlevenden, en een Duitse arbeider uit het kamp, die Demjanjuks foto aanwezen als de man die zij kenden als Iwan de Verschrikkelijke. Een ander belangrijk bewijsstuk kwam van de Russen: een nazi-identificatiebewijs waar Demjanjuks naam op stond onder een foto van hem als jongeman, zo leek het. Volgens dit identiteitsbewijs had hij weliswaar in Trawniki en Sobibor gewerkt en niet in Treblinka, maar alles leek er in ieder geval op te wijzen dat de automonteur uit Cleveland een nazi was geweest.

En dan was er nog zijn naam. Toen Demjanjuk naar de VS kwam had hij zijn voornaam veranderd in ‘John’. Zijn oorspronkelijke voornaam, ontdekten de onderzoekers, was Iwan. Sommige van de overlevenden uit Treblinka herinnerden zich dat de achternaam van de wrede kampbewaker ‘Marchenko’ was. Een document van de Poolse autoriteiten toonde inderdaad aan dat er een Iwan Marchenko stond geregistreerd als bewaker in Treblinka. De onderzoekers ontdekten dat Demjanjuk destijds op zijn visumaanvraag voor de VS de meisjesnaam van zijn moeder had ingevuld. Die was Marchenko.

Voor de Amerikaanse autoriteiten waren er te veel overeenkomsten om ze nog als toevalligheden te kunnen afdoen. De aanklagers bij de ministerie van Justitie waren ervan overtuigd dat John Demjanjuk en Iwan de Verschrikkelijke een en dezelfde persoon waren. ‘We raakten allemaal geobsedeerd door zijn vervolging,’ zei een van de aanklagers. Op 26 augustus 1977 werd John Demjanjuk in Cleveland aangeklaagd door Justitie op beschuldiging dat hij Iwan de Verschrikkelijke uit Treblinka was.

Nazi’s in Amerika van Eric Lichtblau ligt vanaf volgende week bij je boekhandel in de schappen. Wil jij het boek winnen? FHM geeft 5 exemplaren weg. Like dit artikel en reageer in de comments waarom jij dit boek wilt lezen.